Gisterenavond heb ik met volle aandacht de tweede aflevering van het VTM-programma Junior MasterChef bekeken, en u zult het wellicht niet geloven, maar met een zekere weemoed dacht ik terug aan het kerstdiner, dat ik reeds op negenjarige leeftijd bereidde voor de hele familie en de buren. Ik was het wonderkind van de keuken.
Vooraf een helder kalfsbouillon truffé-en-ciel, vervolgens een Sint- Jacobsschelp met een licht aangezoete bruidssaus Périgord, toen een rosé aangebraden fazant, en als dessert een flamousse flambée. Negen jaar oud was ik, en dat allemaal al zonder kookboek.
Voor het overige ben ik mijn ouders altijd tot last geweest. Op school behaalde ik opmerkelijk goede cijfers, maar ik kreeg haast dagelijks heibel met de dorpsonderwijzers, omwille van hun, naar mijn mening, gebrekkige kennis van het Nederlands,het Frans, en de politiek wat in onderwijskringen pijnlijk opzien baarde, zodat mijn vader, mij uit wanhoop naar een streng katholiek instituut in Komen zond, alwaar ik schunnige moppen in vloeiend Frans leerde vertellen.
Ook in koken was ik reeds zeer jong briljant. Toen ik drie was, kon ik al een kip heel knapperig braden in de oven, al zeg ik erbij, dat ik dit gevogelte er levend inschoof. Mijn moeder aanschouwde mijn talent met vertedering. Ze kookte zelf ook heel verdienstelijk, dus ze begreep me.
Als mijn moeder in restaurants die wij op zondag met de hele familie bezochten, vis at, vond ze altijd dat deze vis niet vers was. Ze riep dan de 'maître' en sprak hem bestraffend toe: "Vis, beste man, moet aan drie voorwaarden voldoen. Vis moet vers zijn. Vis moet vers zijn. En vis moet vers zijn."
Behalve dat de ober haar verbijsterd aankeek, had ik dus al vroeg het gevoel dat vis vers moet zijn.
Mijn vader zag echter mij creativiteit in de keuken - la cuisine jeune - met afgrijzen aan. Ik begrijp ook wel waarom. Aan ons huis was een fabriek gebouwd, waarin onderbetaalde en hoestende arbeiders lederen paardentuig looiden, en het was de bedoeling dat ik mijn suikernonkel in dit eigenhandig door hem van de grond af opgebouwde bedrijf zou opvolgen. Mijn suikernonkel achtte mijn liefhebberij echter als kenmerk van een slap karakter en niet in overeenstemming met de eisen, die hij, samen met mijn vader, aan mijn toekomstige status stelde, waar ik onder andere in staat moest zijn oude, kromgegroeide werklieden tot een hoger tempo aan te porren. Ik heb echter deze functie nooit geambieerd. Zo jong als ik was, zag ik de intrede van zeurderige vakbondsafgevaardigden al naderbij komen. Ik kookte liever, om mijn kans op levensgeluk te vergroten.
Eenmaal toen mijn ouders ruzie hadden, en ik aan de deur luisterde, hoorde ik mijn vader bulderen: "Koken, dat is het enige wat hij wil. En dat voor een jonge vent, voor een kind nog. Weet je wat hij volgens mij is? Homo. Mijn zoon is een homo."
"Nee" weeklaagde Martine, want zo heet mijn moeder. "Nee, Jan, zeg dat niet. Zeg dat nooit meer Jan." Want mijn vader heet Jan.
Tegenwoordig ben je als ouders even blij als je zoon homofiel of je dochter lesbisch is, maar in die tijd lag dat nog erg gevoelig.
Ik zei het u al, ik was vaak onhandelbaar als kind en dus rende ik de trappen op, naar het kamertje van de meid onder het dak, trok daar een frivool uitgaangsjaponnetje van haar uit de kast, trok deze jurk over mijn hemd en korte broek aan, en snelde weer naar beneden. Ik wierp de deuren open van het salon, waar mijn ouders zo treurig ruzieden over mijn geaardheid, en stapte binnen met een gezicht alsof deze verkleedpartij diverse lusten in mij loswoelde.
Ze bleven er bijna in. Niettemin maakte ik diezelfde avond voor iedereen 'tong à la munière' klaar.
"Ja, moeder" antwoordde ik haar, "Ik weet het: vis moet vers zijn. Vis moet vers zijn. En vis moet vers zijn."
Op die fabriek ben ik dus nooit gekomen. Het bedrijf is trouwens door het uitsterven van het paard overgeschakeld op lederen bankstellen en wordt geleid door een keiharde manager, die nu en dan zijn personeel overspannen toeschreeuwt: "Eerst meer bankstellen maken, en daarna kunnen we praten over meer parkeerruimte", waarna hij terecht in het toilet wordt opgesloten.
Vrijdag is Lucdag. Morgen zult u mij in de keuken aantreffen als de meest heteroseksuele amateurkok van het westelijk halfrond en omstreken met het schort van mijn vrouw. Alles is dus toch nog goedgekomen.
Luc Vanmassenhove

Reacties