Eens de vijftig voorbij, gaan die donkere dagen toch vlug in de kleren zitten. Is het niet?
Ik ben al aan mijn tweede verkoudheid toe en mijn reumatiek is er ook al niet op verbeterd.
Een weekje vakantie zou dus best eens deugd kunnen doen.
Het probleem is echter dat ik een eeuwige twijfelaar ben, en nooit kan beslissen
waar ik eigenlijk heen wil. Naar de zon of naar de wintersport? In december en januari is het in
de warme landen binnen mijn budget- en charterbereik ook al zo warm niet, en bovendien begin ik
mij mateloos te vervelen als ik langer dan een halve dag op een strand moet doorbrengen.
Op wintersport? Hoewel kenners mij verzekeren dat één week wintersport twee weken zomervakantie
waard is, ben ik er sinds mijn achttiende nooit meer naar toe getrokken. Intimi weten waarom.
Ik heb er namelijk nooit op de latten gestaan, eerder op de lappen geweest met Waalse meiden.
Dat was in de periode 'Leuven Vlaams' zo'n zwaar vergrijp, dat ik terstond gerepatrieerd werd.
Ik kan nu wel niet skiën, maar om heel eerlijk te zijn, ik vind een aprés-swim na de Nieuwjaarsduik
op de Oostendse Zeedijk, minstens even gezellig als een après-ski in Garmisch-Partenkirchen.
Dus Espana ole, vergeet het. Ik hou namelijk niet van Spaanse flamenco-dansen,
en raak evenmin onder de indruk van de fysieke inspanningen van blazende en zwetende kerels in lederhosen.
"Weet u wat we eigenlijk moesten doen?" interveniërde mijn vrouw. "Lekker thuisblijven en
Rochus en Maithé" eens uitnodigen om te komen fonduen.
Wat mijn vrouw er zo gezellig aan vindt, blijft voor mij een raadsel. Ik vind dat een verwerpelijke
manier van tafelen, een achterhaald middel tegen de algemeen heersende verveling tijdens het weekend.
Men doet er mij er in geen enkel geval een plezier mee, een maaltijd op te luisteren met een pan
gloeiend vet en een spiritusvlam op tafel, waarbij men als het ware gedwongen wordt het verstrekte vlees
in ieders bijzijn zelf gaar te braden.
Daar komen ongelukken van, en de slachtoffers zullen slechts in staat zijn door een resterend
mondje te verklaren dat het toch wel heeft gesmaakt.
Nu en dan moet ik me echter wel schikken in dit nieuwe bindmiddel der mensen, door een
gezelschap uit te nodigen dat uitstekend vlees opzettelijk wil verknallen in frituurolie. Dit schijnt
zowel heel interessant te zijn als niet van een zelfkwellend gevaar ontbloot, want niet zelden
hoor ik om me heen dat men "zondag gaat fonduen bij Ronny en Isabelle" en daarbij wordt
een gezicht getrokken alsof dit een modieuze intimiteit betekent, welke gelijk staat aan een
vorm van groepssex. Helaas, ik ontkom dus niet aan de huidige richtlijnen van een onderhoudend
samenzijn, al moet ik mijn gasten teleurstellen in hun verwachting van een hoge gezelligsheidsgraad.
Ik ben bereid ze op deze wijze te eten te geven, maar dit geschiedt dan wel in de sfeer van een
noodtoestand. Ze worden volgens traditie verwacht rond de klok van zevenen voor een aperitief, waarbij
ik gewoonlijk een ruime hand van schenken toon, maar niet voorafgaand aan het fonduen, want ik
kan geen roekeloosheid door drankmisbruik aan tafel gedogen.
Ik moet immers voorkomen dat men met de vorken vol vlees straks verward raakt in het kokend vet, terwijl
evenmin twistgesprekken mogen ontstaan over welke vork van wie is, want een handgemeen zou aan
zo'n tafel fataal zijn.
Ik tref daarom mijn maatregelen. Ik stippel daags voordien zorgvuldig de route uit voor het binnenbrengen van het vet, dat
op het fornuis voorverhit. Daartoe drijf ik de bezoekers in een hoek van de kamer, Lotje, de hond gaat
voor deze keer ook binnenshuis aan de lijn en een vloerkleed dat niet slipvrij is, wordt verwijderd.
Bovendien roep ik de bekende gezegden uit de bouwindustrie, waarmee naderend onheil van boven
tot uitdrukking wordt gebracht.
Daarna volgt het ontsteken van het spirituskomfoortje onder de olie en dan blijkt altijd dat ik geen goed hand
van vullen heb gehad. Soms zit er te weinig spiritus in, soms te veel, zodat in alle gevallen de olie, nadat de
gasten weer zijn teruggedreven in hun hoek, terug moet naar de keuken om warm te blijven, terwijl ik de spiritusvlam
regel. Dat valt niet mee. Het is een onhandelbaar soort vuur. Blazen wakkert het alleen maar aan, een vreemde
ervaring, want ik sta erom bekend dat mijn adem zelfs de meest hartstochtelijke lucifer terstond pleegt te doven.
Als tenslotte de maaltijd kan aanvangen, vindt men naast mijn bord hittewerende handschoenen, die mijn maaltijd
het aanzien geven van een snel hapje tussendoor, ten einde weer vlug op pad te kunnen gaan met mijn Noordpoolexpeditie.
Naast mijn stoel staat een emmer water en verder hou ik ieders bewegingen zo scherp in het oog, dat men zeer
angstvallig pleegt te eten. Men schrikt van mijn oproep gereed te blijven, zichzelf met stoel en al achteruit te werpen,
indien de pan mocht omvallen, zodat dus de gezelligheid op scherp staat en men zich de maaltijd niet zo goed
laat smaken als men vooraf had gedacht.
Helaas is mijn aandacht dermate gericht op de algemene veiligheid, dat ik een lege vork van mij, die abusievelijk enige
tijd in het hete vet had gestaan, gedachteloos in de mond steek. Ik heb nu een merkwaardig brandmerk op de tong en
mijn stem klinkt geheel anders als ik steeds roep: Kijk uit! Pas op!
Luc Vanmassenhove.
Reacties