Eerst wilde ik dit stukje wijden aan de jas van Filip. U hebt hem toch gezien, die prachtige jas die de kroonprins droeg bij het militaire defilé op de nationale feestdag?
Naar maat gemaakt door het soort kleermaker dat je nog mag afranselen als er een vals plooitje in de nek ligt. Met die strakke welving van de revers, die wijst op het gebruik van paardenharen vullingen.
En van dat superieure luchtmachtblauw, dat de officier ook zonder sterren van het voetvolk onderscheidt.
Die jas was een meesterwerk. Niet in de laatste plaats omdat hij er zo droef uitzag en zo ingetogen. De ideale begrafenisjas, ook zonder een zwarte band om de arm.
Een zwarte band zou ik er overigens te veel aan gevonden hebben, tenslotte brengt elk defilé hem een stap dichter bij de macht. En dat stemt een mens eerder tot vrolijkheid. Nietwaar?
Prins Filip zit trouwens in hetzelfde schuitje, als Charles in Engeland, en Willem-Alexander in Nederland. Stuk voor stuk, gehuwde mannen van leeftijd, wier voornaamste vulling van de dag bestaat uit wachten. Tot ze ooit de functie gaan bekleden, waarvoor ze bijna een halve eeuw een opleiding hebben genoten.
Op dat eigenste moment zullen hun leeftijdsgenoten denken aan hun pensioen, hun welverdiende rust, aan een budgettaire interessante prijs een winter lang verblijven in Benidorm, Lloret del Mar, Antalya, Dubrovnik of Nice, aan zich inschrijven bij de lokale wielertoeristenclub, aan de lambada dansen met de buurvrouw op het feest van de senioren, of met vrienden op stap gaan naar ‘Rimpelrock’.
Een zeldzaam exemplaar gaat de revolutie prediken, en lezersbrieven schrijven naar De Standaard. Over list en bedrog ten paleize, bijvoorbeeld.
En hij wil zo graag koning worden, hij is er klaar voor. Dat beweert hij althans. Maar misschien was Filip die zondag in juli best wel zo zenuwachtig dat hij dergelijke details over het hoofd het hoofd ziet, maar het viel me tegen van de troonopvolger, dat hij geen sigaren en pralines uitdeelde aan de genodigden op de eretribune.
Want dat heb ik eens een mijnheer op een begrafenis zien doen. Die bleek het huis van de overledene twee maanden eerder op lijfrente gekocht te hebben. Dat werkt. Dat sust de gemoederen. Vooral perslui zijn daar erg gevoelig voor.
Wie het wel handig speelde was z’n schoonzus Claire. Ze was niet te bespeuren op het militair defilé. Zit trouwens al met een marinier op haar dak. Opgescheept als het ware. En wat kunnen zeemachttroepen nu gaan uitrichten op zo’n landelijk feest in Brussel? De muziekkapel van de Zeemacht. Die wel, natuurlijk. Dat is wereldklasse.
Claire was in Aarlen. De hoofdstad van de provincie Luxemburg. Niet meteen ‘the place to be’. Maar toch. Gewoon in Aarlen. Tussen de gewone mensen. Onopvallend.
Alleen jammer van die hoed. Te opvallend eigenlijk, om zomaar onopvallend tussen het publiek te verdwijnen. Bij het zien van die hoed van Claire, kreeg ik de indruk dat dit alles, gillend van boosaardig plezier, is bedacht door iemand die ons vorstenhuis geen goed hart toedraagt. Trouwens vrouwen van adellijke bloede dragen meestal van die hoeden, die mij sterken in de overtuiging dat ze worden gecreëerd door een ontwerper met een gefrustreerde voorkeur voor de republiek.
Maar dan dacht ik er weer aan dat ons land zich in volle crisis bevindt, en dus vond ik dat ik niet al te veel over de jas van Filip, en de hoed van Claire moest zwetsen, maar liever iets ernstig moest brengen.
Over de strik van Elio, bijvoorbeeld. Of Bart met of zonder das.
Luc Vanmassenhove.















Reacties