Nu het lied der Vlaamse zonen,
nu een dreunend kerelslied,
dat in wilde noordertonen
uit het diepste ons herten schiet.
Ei! het lied der Vlaamse zonen,
met zijn wilde noordertonen,
met het oude Vlaams Hoezee.
Vliegt de blauwvoet? Storm op zee!
't Wierd gezeid dat Vlaanderen groot was,
groot scheen in der tijden wolk,
maar dat Vlaanderland nu dood was,
en het vrije kerelsvolk.
Maar dan klonk een stemme krachtig
over 't oude noordzeestrand
en het stormde groots en machtig,
in dat dode Vlaanderland.
En hier staan wij, 't hoofd omhoge,
vuisten siddrend, kokend bloed;
vlam in 't herte, vlam in de oge,
en ons naam ons trillen doet!
Zo schreef de 'Wonderknape van Vlaanderen', de dichter Albrecht Rodenbach, die in 1880 op 24-jarige leeftijd overleed aan tuberculose. Elke cultuur heeft zo zijn te vroeg gestorven idolen, te jong om de wereld hun kwaliteiten ten volle te tonen, en te jong in jaren.
Rodenbach kwam uit Roeselare, en ontpopte zich in de weinige jaren, die hem gegund waren als een voorvechter van de Vlaamse Beweging. Van hem is o.a het bekende lied 'Klokke Roeland' , de gedichten 'De Blauwvoet' en 'Sneyssens', een ode aan een Gentse vrijheidsstrijder, het toneelspel 'Gudrun', en een ballade over Jan Breydel, die in 1302 de franskiljons er van langs gaf.
Na zijn dood werd Albrecht Rodenbach een soort legende. De naam Rodenbach komen we in en rond Roeselare nog veel tegen. 't Bekendst is wel het Rodenbachbier: een pittig zoet-zuur bruintje, gerijpt in eiken vaten. Hoe meer men er van drinkt, hoe dichterlijker men wordt.
Eén van de geselecteerden voor het WK 1970 was een andere 'wonderknaap' uit Roeselare: Jempi Monseré. Samen met een andere beloftevolle renner, Roger De Vlaeminck zat hij daar als kersverse wielerprof tussen de gevestigde waarden als Eddy Merckx, met om zich heen Vic Van Schil, Jos Huysmans, Jef De Schoenmaker, Herman Van Springel, Guido Reybrouck, Frans Verbeeck en Walter Godefroot.
Zoals de traditie het wil, werden op de vooravond van het wereldkampioenschap de bekende financiële afspraken gemaakt over het verlenen van onderlinge hand-en spandiensten: wie brengt de kopman terug in het peloton na materiaalpech?; wie leidt de achtervolging op de koplopers? Wie zet de kopman uit de wind? Wie trekt de spurt aan?... per definitie een moeilijk gedoe in het Belgische team. Merckx' ploeggenoten stelden zich onvoorwaardelijk in zijn dienst. Logisch. Maar met name spurtersbazen Frans Verbeeck en Walter Godefroot wilden ondanks het beloofde fortuin, hun kansen gaaf houden op de vlakke omloop van Leicester. Daar kom je zomaar in vijf minuten niet uit. Dat is genoegzaam bekend.
De tijd verstreek en er werden geen vorderingen gemaakt; men kan zich voorstellen hoe gespannen de sfeer was binnen de Belgische delegatie. In een ultieme onderhandelingsronde waar iederéén de kans kreeg nog eens zijn zegje te doen, beloofde Jempi Monsere een vat Rodenbach als hij wereldkampioen zou worden. Daar kon iederéén hartelijk mee lachen, terwijl niemand er aan dacht ook een echte afspraak met de Roeselarenaar te maken.
's Anderdaags, 16 augustus 1970, versloeg Jempi Monseré, de Deen Leif Mortensen en de Italiaan Felice Gimondi in de sprint, en werd zo één van de jongste wereldkampioenen aller tijden. Alleen Karel Kaers was jonger. Het koste Monseré een rondje, terwijl Felice Gimondi onderweg per kop 350.000 Belgische frank veil had voor zijn medevluchters.
In 1973, op de loodzware omloop van Montjuich (Barcelona) nam Gimondi revanche, en reed zich in de regenboogtrui. Een onenigheid in de Belgische ploeg lag aan de basis van deze onverwachte zege. Twee Belgen snelden naar de eindstreep, met in hun zog Felice Gimondi, nota bene een 'strijkijzer' in de sprint, en de moegestreden Spanjaard Luis Ocana. Eddy Merckx gunde echter de overwinning aan de Italiaanse kampioen. Liever dan aan de nieuwe wielerster uit West-Vlaanderen. Zijn naam: Freddy Maertens, een spurtbom uit Lombardsijde.
Jempi Monsere mocht dat allemaal niet meer meemaken: in het vroege voorjaar van 1971 - tijdens de Grote Jaarmarktprijs; een kermiskoers te Retie, verongelukte hij. Roeselare was zijn volksheld kwijt, en een legende rijker.
Vijf jaar later, overleed ook Giovanni, het zevenjarige zoontje van Jempi en Annie Monseré. Hij werd aangereden door een auto op het koersfietsje dat hij voor zijn eerste communie had gekregen van Freddy Maertens. "Life is good. But not fair at all" zingt Lou Reed.
Een groot volk eert zijn groten. Momenteel loopt tot eind december, in het Nationaal Wielermuseum, op Polenplein een tentoonstelling 'Jempi Monsere 1970-2010'. Vlakbij, op de Grote Markt van Roeselare staat het standbeeld van Albrecht Rodenbach. Wedden dat de sport het wint van de poëzie?
Luc Vanmassenhove.














